KlezMaar.nl Home Tekst: Mart Heijmans

Klezmer in Oost-Europa

Het Jiddische woord klezmer stamt van de oud-Hebreeuwse woorden "kley" (= werktuig) en "zemer" (= musiceren) en werd in Oost-Europa gebruikt om Jiddische muzikanten aan te duiden. Als aanduiding voor de door de klezmer (of klezmorim) gespeelde muziek raakte het woord pas in de mode tijdens de jongste revival in de zeventiger jaren.

Klezmer-muziek is de traditionele instrumentale muziek van de Jiddisch sprekende Joden in Oost-Europa die woonachtig waren in een gebied dat nationale grenzen overschreed en grote delen van de Oekraïne, Wit-Rusland, Litouwen, Moldavië, Polen, Roemenië, Hongarije en Slowakije omvatte. Deze muziek waarvan de wortels al in de Middeleeuwen liggen is slechts één aspect in het totaalbeeld van de rijke muzikale traditie binnen de Oost-Europese Jiddische cultuur waarvan ook andere vormen als volksliederen en liturgische gezangen deel uit maken.

Instrumentale muziek neemt een speciale positie in binnen de Jiddische volksmuziek. Het repertoire van de klezmorim (de Jiddische muzikanten), die hoofdzakelijk op bruiloften speelden, bestond gewoonlijk uit melodieën van een bepaald type.

Door de eeuwen heen ontwikkelde zich een repertoire dat bestond uit luister- en dansmelodieën. Een hoge mate van expressiviteit en diverse muziektechnische vaardigheden waren vereist om de stukken te kunnen spelen, waarbij de viool en de klarinet uitgroeiden tot de hoofdinstrumenten. Elke stad en elk dorp met een redelijk grote Joodse populatie had wel zijn eigen klezmer kapelye. In het laatste kwart van de negentiende eeuw bestond een grote kapelye uit de volgende instrumenten: één of twee eerste violen, één of twee tweede violen, cello of contrabas (in grote groepen beiden), fluit, klarinet, trombone en één of twee ritme-instrumenten (Turkse trom, snarentrom). Maar in de regel bestond een klezmergroep uit twee tot vier klezmorim waarbij de eerste violist ook vaak de bandleider was. Hun werkgebied was doorgaans in een straal van 100 á 200 kilometer rondom hun eigen shtetl (stad).

Ondanks het feit dat de meeste klezmorim geen muziekopleiding hadden genoten waren velen toch hoog gekwalificeerde muzikanten. Ze leerden vooral van elkaar en velen waren het notenschrift meester. Diverse grote kapelyes werkten met uitgeschreven arrangementen die tot in de puntjes werden gespeeld. En als muzikanten géén noot konden lezen werd er tot in den treure geoefend op de stukken. Naast de professionele of semi-professionele klezmorim waren er ook nog vele amateur-muzikanten (velen speelden viool) die de klezmorim naspeelden. Zij mochten echter niet in het openbaar optreden! De sociale status van de klezmorim was laag en de meesten hadden er nog een ander beroep naast zoals kapper, schoenmaker of kleermaker (als er geen klanten waren werd er geoefend!). De belangrijkste functie van de klezmorim bestond uit het spelen tijdens diverse feesten binnen de Joodse gemeenschap maar vooral toch bij de Khasenes (bruiloften) die in Oost-Europa vaak twee tot acht dagen lang duurden! Een Jiddische bruiloft zonder klezmer-kapelye was ondenkbaar. De aanwezigheid van een kapelye bij een bruiloft was zo belangrijk, dat er ten tijde van een muziekverbod (b.v. naar aanleiding van de dood van een lid van het koningshuis) werd uitgeweken naar een verafgelegen dorp of stad buiten het gebied waarin het verbod gold. De kapelye vormde met zijn instrumentale muziek een soort rode draad tijdens de festiviteiten rondom de bruiloft. Zelfs in tijden waarin strenge rabbijnen een verbod voorstonden van alle instrumentale muziek was de bruiloft hiervan vrijgesteld. Hoewel vaak gehinderd door wetten en verordeningen werden klezmorim ook bij diverse andere gelegenheden gevraagd om te selen zoals bij Purim-feesten waarbij theaterstukken werden opgevoerd of bij "Simkhas Toyre" (het vieren van het begin en einde van de jaarcyclus met lezingen uit de Thora). Tevens is bekend dat klezmorim speelden in herbergen, danshuizen, kuuroorden en op binnenplaatsen. De opkomst van het Jiddisch theater op het einde van de 19-de eeuw opende voor vele klezmorim weer nieuwe speelmogelijkheden. Klezmorim werden ook gevraagd bij niet-joodse festiviteiten en er waren zelfs niet-joodse klezmorim. Dit verklaart ook het zeer brede repertoire van de meeste klezmorim want elke klant moest tevreden worden gesteld. Naast Jiddische instrumentale muziek zoals freylekhs / freilachs, khusidls /chosidls en shers, chassidische en paraliturgische muziek werden instrumentale versies van populaire Jiddische volksliedjes en liederen uit het Jiddisch theater gespeeld. Daarnaast speelde men echter ook de muziek van de plaatselijke (niet-joodse) boerenbevolking en Zigeuners (b.v. sirba's (RO), kolomeykes (SU), polka's, mazurka's en csárdás), populaire gezelschapsdansen en zelfs lichte klassieke stukken voor de aristocratie. Maar ondanks de nauwe verwantschap met de muzikale traditie van de niet-joodse bevolking van Oost-Europa zijn in de klezmermuziek duidelijk joodse kenmerken zichtbaar. Zo heeft de ornamentatie van de melodieën een heel eigen (joods) karakter en is de frasering sterk beïnvloed door enerzijds (vocale) synagogale gezangen en anderzijds door jiddische volksliedjes en chassidische muziek.

Klezmer in Amerika

De eerste grote joodse emigratiegolf vanuit Oost-Europa naar de nieuwe wereld, Amerika vond plaats in de periode tussen 1881 en 1924 en werd veroorzaakt door de vele antisemitische vervolgingen en de door de eerste wereldoorlog en de Russische revolutie ontstane sociale omwentelingen. Mede door deze omwentelingen die zich al op het einde van de negentiende eeuw openbaarden, veranderden in Amerika de functie van de klezmermuziek alsmede het gespeelde repertoire. Vele chassidische joden werd door de rabbijnen ontraden om te emigreren naar de nieuwe wereld waardoor het chassidische element in de klezmermuziek aanmerkelijk verminderde. De jiddische bruiloft werd teruggebracht naar één dag en diverse bruiloftsrituelen raakten in onbruik. Wat overbleef waren hoofdzakelijk de niet-religieuze dansstukken zoals bulgars (= freylekhs) en shers. Zowel binnen als buiten de joodse gemeenschap groeide de druk om te integreren en "Amerikaans" te worden. De Amerikaanse klezmerbands namen om te kunnen blijven optreden populaire Amerikaanse stukken zoals foxtrot en charleston in hun repertoire op. De klarinet had inmiddels de viool als hoofdinstrument volledig verdrongen en de meeste bandleiders waren dan ook klarinettisten. Tegelijkertijd brachten de eerste twee decennia van de twintigste eeuw voor vele klezmorim nieuwe speelmogelijkheden in de sterk opbloeiende platenindustrie, in de jiddische theaters en in de filmindustrie waarin stomme films met live-muziek werden opgeluisterd. Tussen 1913 en 1942 werden in Amerika alleen al zo'n 700 platen met jiddische instrumentale muziek geproduceerd. Met de opkomst van de radio ontstonden in de dertiger jaren ook vele joodse radiozenders die door bandleiders weer werden gebruikt om hun groepen te promoten. Bekende groepen uit die tijd waren de orkesten van Harry Kandel, Abe Elenkrig, I. Hochmann en Abe Schwartz met als solisten de klarinettisten Dave Tarras en Naftule Brandwein.

Toch kwam door de grote wereldwijde depressie in de dertiger jaren de productie van klezmerplaten vrijwel stil te staan. Klezmerkapelyes werden door de verminderde inkomsten ingekrompen tot drie of vier klezmorim. Door de langzame veramerikanisering nam de belangstelling voor de klezmermuziek steeds verder af

Na de tweede wereldoorlog kwamen vele overlevenden van de holocaust waaronder vele chassidische joden naar Amerika. Het chassidische element in de klezmermuziek nam weer sterk toe. Maar de oprichting van de staat Israël bracht een grote verandering doordat een groot deel van de Amerikaans-Joodse gemeenschap zich identificeerde met de ontstane Israëlische cultuur. Zo verdrong de nieuwe Israëlische dansmuziek in de veertig en vijftiger jaren de klezmermuziek bijna volledig.

Bij het begin van de zeventiger jaren bracht de klezmerrevival weer een hernieuwde brede belangstelling voor de traditionele Oost-Europese klezmerstijl. Jonge Amerikaanse joden, meestal geboren in de vijftiger en zestiger jaren en vaak niet religieus en de joodse taal niet machtig, begonnen deze muziek te ontdekken middels de vele 78-toerenplaten uit de vooroorlogse periode en lieten zich onderwijzen door de oude rotten in het vak zoals Dave Tarras en Sid Beckerman. In snel tempo ontstaan, eerst in Amerika en later in Europa nieuwe klezmergroepen die zich de oude speelstijl eigen maken en verder ontwikkelen. In Amerika zijn het de groepen van Lev Liberman en Henry Sapoznik, Klezmorim en Kapelye, die zich als eersten storten op de klezmermuziek, later gevolgd door Andy Statman (een Tarras-leerling), de Klezmer Conservatory band en de Klezmatics. In Israel en Europa introduceert Giora Feidman in het begin van de zeventiger jaren de klezmermuziek.